Beltegoed

Dit is een mobiele telefoon. De mijne. Om precies te zijn: mijn eerste mobiele telefoon. Eentje van voor de eeuwwisseling. Model koelkast, zeggen mijn puberneefjes zonder respect voor dingen die voorbij gaan. En sommige dingen gaan voorbij: diverse functieknoppen zijn inmiddels onleesbaar of gewoon kapot, het rubber is volledig vergaan en de achterklep die de batterij moet vasthouden doet dat niet meer, vandaar het elastiek. Na zeven jaar trouwe dienst heeft het apparaat de geest gegeven. Er komt geen stom geluid meer uit, of in.

Dat ik al lang niet eerder, net als de rest van deze wereld, ben overgestapt op een hip exemplaar dat kan fotograferen en animeren, chatten en internetten, breien en koffiezetten en oh ja, bellen, heeft weinig te maken met mijn aversie tegen de consumptiemaatschappij. Dat was nu een kwestie van toeval. Even niet opletten en hups, zo’n ding gaat al weer zeven jaar mee.

Ik kan gewoon slecht afscheid nemen, van mensen en van dingen. Ik kan namelijk ook letterlijk slecht tegen verlies, tegen verval, tegen dingen die voorbijgaan. Daarom ben ik ook erg gehecht aan de spulletjes om me heen en die koester ik dan tot zolang ze het met mij uithouden. (Mensen soms zelfs nog daarna, maar lang niet allemaal en meestal in stilte.)

Schoenen, mijn jas, die spijkerbroek, dat shirt, de wollen sokken die mijn tante sinds jaar en dag voor mij breide, al mijn onderbroeken. Maar ook een etui van meer dan twintig jaar oud, schrijfblokken, pennen, agenda’s, schriften (waaronder mijn opstelschrift uit de zesde klas van de lagere school). Mijn eerste stereotoren, cassettebandjes, elpees, singeltjes. Boeken uiteraard, al mijn Dinky en Gorgi Toys.
Eenzelfde trouw breng ik op voor alle fietsen en auto´s die ik tot nu toe mocht rijden. Slechts in het uiterste geval deed ik daarvan afstand, altijd gedwongen en soms met tranen in de ogen.

Ik bewaar ook onnozele dingen, zonder aantoonbare reden, althans voor zover ik weet. Een Griekse munt die ik ooit vond op de grens bij Oostenrijk bevindt zich al jarenlang in de voering van mijn oude leren jas. Bijna dagelijks controleer ik de aanwezigheid van dat ding. En blinken dat die doet intussen!

Soms is er wel een reden of aanleiding voor het behoud. Zo hangt aan het ringetje van mijn huissleutels de naamkoker van de kater die ooit elf jaar bij mij heeft gewoond. En staat er op de vliering een doos met alle liefdesverklaringen die ik ooit heimelijk aan Haar heb verstuurd.

Ik heb zelfs meer dan twaalf jaar lang alle verpakkingen bewaard van alles wat ik tot dan toe rookte. Hele dozen volgepropt met honderden lege pakjes halfzware Van Nelle en Camel zonder filter. Die heb ik na een nieuwe verhuizing dan toch maar bij het oud papier gezet. Soms kan ik dus ergens wel een punt achter zetten, dokter. Eigenhandig een grens trekken.

En dus heb ik vanmorgen, na het maken van deze laatste foto, mijn eerste mobiele telefoon in een envelop naar Artsen zonder Grenzen gestuurd. Die hebben daar nog wat aan, naar het schijnt. Benieuwd of die ´m nog aan de praat krijgen.