Over de geur van lef

Het geheugen is een tent. En geuren zijn de scheerlijnen. Lang rook Brabant naar beuling, bier en boerenzakdoek. De geur van trots en zelfverzekerdheid? Die was ver te zoeken, ook in de theaterwereld. Teleurgesteld trokken makers noordwaarts, op zoek naar Hollandsch Glorie. Maar het tij lijkt te keren. Of is dat schone schijn? Een ronde-tafelgesprek met vier theaterkenners over neologismen [marketingmaffia], pleonasmen [behoudzuchtige theaterdirecteuren] en contradictio in termini [Brabantse vechtlust].

Eind januari 2005 wijdde de Volkskrant zijn zaterdagmagazine aan Brabant. De redacteuren trompetterden dat Brabant in was in kringen van media, reclamemakers en kunstenaars. Zelfs de zachte G vond genade. Zo ’n hoofdstedelijke liefdesverklaring roept in Brabant achterdocht op – de klassieke reflex. Maar heimelijk zweemt de trots. Eindelijk de nationale erkenning dat Brabant méér is dan een 5.083 km2 grote bestellijst voor feestartikelen. Toch – Brabanders zijn nooit vies van inconsequentie – mogen de serpentines uit de kast. Aanleiding voor het feestje? Zowel het klimaat als de infrastructuur voor theater in Brabant zijn sterk verbeterd, concludeert Maaike Verberk. De beleidsmedewerkster Cultuur bij de Provincie Noord-Brabant lijkt gelijk te hebben. Brabantse gezelschappen – van ZT Hollandia en Artemis tot Drieons en La Melis – gooien hoge ogen bij subsidiënten,recensenten en publiek. Met uitzondering van De Vorst in Tilburg,dat na een horrorjaar de weg hervindt, gaat het crescendo met de Brabantse podia – de Verkadefabriek in Den Bosch voorop. Tot slot slot zou werkgeversorganisatie VNO-NCW trots kunnen zijn op de vlijt en innovatieve kracht van Productiehuis Brabant, waar de 36-urige werkweek al lang geleden is gesneuveld. Verberk: "We doen het goed in Brabant. Er zijn veel jonge makers, accommodaties en initiatieven; er is humus. Toch zijn er kanttekeningen. Zo merken we dat de kwaliteit van de aanvragen voor het projectsubsidie-budget professionele podiumkunsten fors omlaag gaat. De makers blijken onvoldoende in staat om hun artistieke visie in een subsidieaanvraag onder woorden te brengen – nog afgezien van het tekort aan kennis om een fatsoenlijke begroting op te stellen. Een plan wel sympathiek vinden? Da ’s te mager. Daar is dit subsidiebudget niet voor bedoeld, zelfs als dat zou betekenen dat makers uit Brabant vertrekken. En dat gebeurt nog steeds.”

Biotoop
Peter Dictus is zakelijk leider van Drieons uit Tilburg. Het theatergezelschap maakt – net zoals de Wetten van Kepler – regelmatig stukken van zuidelijke snit waarin pastoors of wielrenners voorbijtrekken. “De Unique Selling Points van theatermakend Brabant? Ik geloof niet zo in een provinciale afbakening. Wél in de relatie met je directe omgeving. De kunst is om van je eigen kracht en persoonlijkheid uit te gaan. Als je dat in je eigen biotoop kunt onderzoeken, is het meegenomen. Ik ben toevallig Brabander, dus zie ik graag kunst in relatie tot deze omgeving. Wat mij hier houdt? Ik voel het ongrijpbare katholieke dat diep in me zit. En als de harmonie bij mij door de straat komt, raak ik ontroerd. In die zin zou ik niet weten wat ik in de Randstad zou moeten doen.”

Toch knerpt het regelmatig tussen Dictus en Brabant. “Wat ik hier mis – en dat heb ik geleerd van die kaaskoppen van Hollandia – is de bereidheid om te knokken. Geen geld voor een productie? Doen we het anders. Wij zijn in Brabant inschikkelijker. We vechten minder. Da ’s jammer,want het knettert van de potentie. Neem Tilburg, waar ik nu werk. Een jeugdtheatermaker als Ad van Iersel of een geniale componist als Jacques Palinckx worden in hun eigen regio vaak over het hoofd gezien. Misschien door een tekort aan kennis, trots of ambitie. Dat mis ik ook bij de overheden in Brabant.”

We zien wel
Ad Overweel is directeur van de Academie voor Drama te Eindhoven. In de nazomer van 2005 verhuist zijn theateropleiding naar Tilburg, waar zij onder de vlag van Fontys Hogescholen één cluster gaat vormen met de Dansacademie en het Conservatorium. Overweel deelt niet in de malheur. Toch verzucht hij ook: "In Brabant moet je zelf het onderste uit de kan halen, anders krijg je het niet. Als er al een discussie over cultuur is, dan gaat-ie over geld. Niet over inhoud. En wat die inschikkelijkheid betreft:misschien maken wij daar zelf wel deel van uit.” Leonie Clement knikt instemmend. Ze is oud-studente van de Academie voor Drama en theaterprogrammeur bij de Verkadefabriek in Den Bosch. Aarzelend:“Op de Toneelacademie is vechtlust om jezelf te verkopen niet het eerste wat je geleerd krijgt. Het voelt als een gunst als je ergens wat mag maken. Misschien is het Brabants, maar de mentaliteit is vooral: ‘We zien wel.’ Dictus: “Daar kan ik me dus aan ergeren. Bij ZT Hollandia werkten wij met het motto: ‘Weerstand bieden aan de werkelijkheid.’ Dat mis ik hier vaak op veel fronten: je verzetten tegen een situatie die je niet bevalt.”

Tegelspreuk
Overweel opgewekt: “Laten we niet te lang blijven hangen in het eigen nest bevuilen. Ik zie liever dat we in Brabant allianties tussen instellingen bevorderen. Dan heb ik het niet over intenties uitspreken, wat sullig samenwerken en er een borrel op drinken. Ik bedoel: events opzetten vanuit inhoud en de gezapigheid doorbreken. Dat maakt het aanzienlijk interessanter om in Brabant te blijven in plaats van naar de Randstad te vertrekken.” Dictus: “Oké, maar het verhaal begint met het besef bij de vijf p ’s – producenten, podia, pers, publiek én politiek – dat wat hier gebeurt de moeite waard is. Eerlijk gezegd: ook Drieons lukt het niet altijd om dat uit te dragen.”
Investeren in eigen kracht. Dat lijkt de tegelspreuk van dit rondetafelgesprek. Spijkertje en hamer al in de aanslag? Ja, maar eerst nog wat mokerslagen. Dictus: “Ik sprak ooit de directeur van Omroep Brabant. Die vertelde dat het grootste deel van zijn redactie de huidige werkplek als voorportaal van Hilversum ziet. Als ik dat als directeur zou horen, zou ik de betrokkene[n] ter plekke ontslaan. Met theatermakers in Brabant zou het net zo moeten gaan. Als je híer bent,dan is het híer te doen.”

Marketingmaffia
Ergernis wekt ook de heiligverklaring van culturele marketing in Brabant – en ver daarbuiten. Vooral de collectieve marketing, die zijn zenith bereikt in de Brabantse Uit!-punten, stuit op scepsis. Verberk: “Ik zeg dit op persoonlijke titel, maar ik vind dat de website uitinbrabant.nl voor verbetering vatbaar is. Daar werken ze ook aan. Veel hits? Ja, in het begin van het jaar, bijvoorbeeld. Dan merk je dat mensen massaal de carnavalsites opzoeken. Ik vind dat de provincie er ook moet zijn om het bezoek aan het gesubsidieerde cultuuraanbod te stimuleren en dat is een doel van uitinbrabant.nl.” Overweel verwonderd: ‘Ik ken het niet eens.” Maar Dictus wel: “uitinbrabant.nl en veel andere collectieve marketing onder die noemer is de kleren van de keizer in het kwadraat. Alleen de marketingmiaffia verdient er bakken geld aan en – nog kwalijker – de kunst wordt over één kam geschoren met vlooienmarkten en braderieën. Of ik niet in publieksbereik geloof? Absoluut wel,als je het serieus aanpakt. Maar zolang er nog theaterdirecteuren zijn die tegen hun publiciteitsmedewerkster roepen ‘Jouw werk deed ik er vroeger gewoon bij ’ valt er nog veel te winnen.” Met bijval van Verberk: “Ik hoor links en rechts in Brabant vooral dat de kennis van marketing te mager is en de lef ontbreekt om iets uit te proberen.”

Kwijlen
Achter Clement hangt een schilderij over Don Quichotte en Sancho Panza. Is publiekswerving een eigentijds windmolengevecht?Zachtjes: “Ik ben geneigd om altijd de inhoud voorop te stellen. Als ik naar ons maandboekje van de Verkadefabriek kijk, zie ik nauwelijks inhoud.Zelf ga ik kwijlen van zo ’n Plazaboekje vol interviews en achtergronden. Maar dat werkt niet.  Ik ben erop teruggekomen.” Overweel: “Wat mij vaak stoort in marketing is de gedachte dat je het publiek met slogans kunt verleiden. Ik geloof daar niet in. Bovendien denken pr-mensen vaak niet vanuit de inhoud en zijn ze niet creatief. Publiek, dat moet je maken. Neem United-C, dat bij hun project ‘Lust for Life ’ Eindhovense jongeren laat aanhaken. Of neem Johannes Speelt, de jongerengroep van de Wetten van Kepler. Prima initiatieven. Ik vond de move van Rick van der Ploeg indertijd ook goed: theatergroepen moeten er niet vies van zijn om hun best te doen om publiek te bereiken.” “Dat doen ze, ook al voordat Van der Ploeg dat vroeg,” meent Dictus, ”maar als je publieksonderzoek doet en hoort wat mensen het meest motiveert om naar theater te gaan,dan ligt dat altijd in hun opvoeding. Zin in theater krijg je niet vanzelf. In die zin zie ik veel heil in educatie – van lesbrief tot workshop – als aanvulling op de opvoeding thuis. Educatie als publiekswerving op lange termijn werkt uitstekend. Het is een opstap.”

Kruideniers
Genoeg zelfkastijding. Tijd voor Brabantia Nostra op z ’n best: mekaore un bietje matsen – ook in de theaterwereld. “Brabantse gezelschappen hebben een streepje bij me voor,” erkent programmeur Clement. “Het is een kwestie van extra loyaliteit, al zal ik niet zonder meer een voorstelling boeken omdat ie van Brabantse makers is.Ik ga op ervaring af.” Mooi beleid, vindt Verberk, maar het blijft spijtig dat alleen de vlakkevloertheaters in de Brabantse steden die filosofie volgen. “De Provincie stimuleert het aanbod met een fors bedrag, maar de schouwburgen en de podia in de regio laten zich toch hoofdzakelijk leiden door bezoekersaantallen. Tineke Schouten loopt wel vol, maar de Brabantse makers? Soms hoor ik ook: de gemeente vind het niet eens meer belangrijk.” Dictus: “Hier en daar in Brabant heeft Drieons een streepje voor, vooral bij de vlakke vloertheaters. Maar van de meeste schouwburgen in de regio krijg ik de programmeur of directie niet eens aan de lijn. Wat ik vooral niet snap is hoe ze kunnen volhouden dat een musicalproductie minder risicovol is dan bijvoorbeeld een voorstelling van Drieons. Het punt waarop ze met zo ´n musical uit de kosten kunnen komen, ligt vaak ver boven de 700 stoelen. Dat betekent dat sommige theaters niet eens quitte kunnen spelen, omdat de capaciteit niet voldoende is. Of het betekent een verliespost van 40 à 50 euro voor elke lege stoel. Dát zijn pas risico´s. Alleen al financieel gezien kunnen ze zich met ons soort theater nooit een buil vallen. Kruideniersdenken is het! Ik zou willen dat schouwburgdirecteuren zich langdurig verbinden aan makers, vooral die uit hun eigen regio, met een gezamenlijk plan van aanpak erbij voor de publiekswerving. Maar dat gebeurt niet. Weet je wat het ergste is? Makers gaan zich ervan afkeren. Voelen zich er niet welkom en willen er niet eens meer naartoe. Doodzonde.” Verberk nuchter: “Wij kunnen wel tegen de Brabantse podia zeggen dat we een deel van de uitkoopsom voor onze rekening nemen, maar dat werkt niet. Zij blijven roepen: we hebben er geen publiek voor.” Dictus: “Nee,weet je wat ze roepen: duurt het maar een uur? Of: er zit geen pauze in jullie voorstelling. Dat kost ons geld!”

We bellen
De epiloog. Over ‘The Abyss part II ’ ,waarin jonge Brabantse makers het diepe gat tussen ‘groen ’ en ‘veelbelovend tot rijp’ ontdekken. Wie veel in zijn mars heeft en bij herhaling opvalt, kan bij Productiehuis Brabant aan de slag. Maar makers die zich nog moeten ontpoppen, grijpen veelal mis. Ooit waren de theaterwerkplaatsen van Bis, Plaza Futura en De Vorst kweekvijvers. Maar die zijn gedempt. Overweel: “Het klopt dat pas afgestudeerden vaak tevergeefs op de deur kloppen bij instellingen. Jammer, maar ik zoek de oplossing ook meer in gelegenheidsallianties en activiteiten die jonge makers een kans bieden. Festival CEMENT of Festival TerPlekke [Breda ] zijn bijvoorbeeld events waar ze kunnen opvallen.” Volgens Clement zouden jonge makers zelf meer de boer op moeten gaan. “In Den Bosch heb je Klub Koe. Daarnaast hebben De Verkadefabriek, Artis [kunstenaarsinitiatief ] en de w2 [poppodium ] een nieuw initiatief ontwikkeld voor jonge makers: ‘Het Fabrikaat ’. Ik vind makers nogal afwachtend. Wij hebben de structuur gelegd, maar het loopt nog niet echt storm van hun kant.” Overweel met empathie: “Ik wil er niet te sentimenteel over doen, maar jezelf verkopen maakt je kwetsbaar.” Verberk vol verbazing: “Is de telefoon oppakken eng?” Dictus kijkt rond. Ontmoet de blikken van herkenning. Dan: “Ja,dat is eng. Zeker omdat het andersom niet gebeurt. Ze bellen jou niet.”

'Over de geur van lef' is het verslag dat Eric Alink in het voorjaar van 2005 optekende van een rondetafelgesprek met Ad Overweel, Maaike Verberk, Leonie Clement en Peter Dictus. Over de stand van zaken in de Brabantse theatersector. Het artikel is verschenen in de periodiek van het Productiehuis Brabant, Huisvlijt 6/05: Spek, stront en champagne!, bij het achtjarig bestaan van het Productiehuis.