Het aanrechtkastje

Een zaterdagmorgen. De man zit aan de keukentafel. Restanten van een gehaast ontbijt. De radio speelt. De vrouw komt op en rukt de stekker uit het stopcontact.

Fragment

VROUW
Kan dat ding niet zachter?!
(af)

MAN
Alles kan zachter.

VROUW
(achter) Hoeveel tijd heb ik nog?
De vrouw komt op, neemt een hap van haar bord en gaat weer weg.

MAN
Nog vijf minuten.
Tjoeketjoeketjoeketjoeke whoewhoe! Whoewhoe!

De vrouw komt op.

VROUW
Nog vijf minuten. En jij zit daar maar!
(af)

MAN
(pakt haar schoenen en zet ze op tafel)
Tjoeketjoeketjoeketjoeke whoewhoe! Whoewhoe!
Dodeskadèn dodeskadèn dodeskadèn dodeskadèn!

De vrouw komt op. De man wijst naar de schoenen.
De vrouw pakt de schoenen van tafel, wil weggaan maar draait meteen weer om.

VROUW
Heb jij de -

MAN
Nee.

VROUW
Weet jij soms wat ik -

MAN
Ja.

VROUW
Voor ik het vergeet.

MAN
Ja?

VROUW
Jij belt de loodgieter op.

MAN
Ja.

VROUW
Ik wil niet nog eens een avond in een steenkoud huis zitten.

MAN
Wie wel?

VROUW
Precies.

MAN
Juist.

VROUW
Dus je belt hem.
(af)

MAN
Dus je belt hem.

De man staat op, begint de tafel af te ruimen, de spullen op het aanrecht te zetten.

MAN
Dus je belt hem.

Hij neemt de afwasborstel en zet hem aan zijn oor.

MAN
Hallo loodgieter, hallo loodgieter. Hallo hallo hallo! Hier spreekt een noodgeval. Mijn vrouw en ik wonen al jaren in een steenkoud huis. Dat moet nu maar eens afgelopen zijn. Over.

LOODGIETER
U had gebeld?

MAN
Ja.
(wijst)
Verstopt.

LOODGIETER
Kijk kijk. Verstopt.
(opent het aanrechtkastje en steekt zijn hoofd erin)
Kijk kijk. Verstopt.

MAN
Moet u niet eerst de kraan even laten lopen?

LOODGIETER
Als meneer mij zegt dat-ie verstopt is, ga ik meneer heus niet controleren door de kraan even te laten lopen. Een man een man, een woord een woord, zeg ik altijd maar. Dus als u zegt: verstopt, dan is-ie verstopt.

MAN
Tja, als u het zo bekijkt.

LOODGIETER
Doe ik toch? En trouwens: waaróm zou u liegen? Of hebt u er soms lol in om voor twee tienen in het uur deze jongen voor de kat z'n viool te laten opdraven?

MAN
Twintig gulden, zei u?

LOODGIETER
Zwart. Maar ja, aan de andere kant: je maakt wat mee hoor. Mensen zijn rare dingen. Het zou niet eens de eerste keer zijn dat ik voor een zogenaamd verstopte gootsteen van huis moet. Maar meneer is zo niet. Dat zie ik.

MAN
Wat ziet u?

LOODGIETER
Dat-ie hartstikke verstopt is, natuurlijk!
Ach ja. Kijk meneer, ik zeg altijd maar: aan de verstopping herken je de mensen. De ene keer zit de pijp dicht met gewoon een kleffe bonk bagger omdat iedereen er steeds maar alles in ene van je huppakee doorheenflikkert, de andere keer raakt-ie meer geleidelijk verstopt. Pietpeuterig kleine stukjes die stilletjes de hele boel lamleggen. Kleine, harde stukjes, meneer. Hele kleine, harde stukjes.

MAN
Enne, wat ziet u nu? Ik bedoel, hoe is het hier verstopt geraakt?

LOODGIETER
Weet u dat dan niet?

MAN
Ik heb geen idee eigenlijk...

LOODGIETER
Meneer zou zijn hoofd eens wat vaker in het aanrechtkastje moeten steken.

MAN
(draait zich mompelend van het aanrecht af)
Kleine harde stukjes.

LOODGIETER
Dan zou er voor meneer een wereld opengaan.

MAN
Allemaal kleine harde stukjes.

LOODGIETER
Dan zou meneer de dingen anders zien. Beter, als meneer dat zou willen.
Moet u nou toch eens kijken!

De loodgieter pakt zijn gereedschapskist en verdwijnt in het aanrechtkastje; hij trekt het deurtje dicht.

Het aanrechtkastje is de eerste theatertekst van Peter Dictus die werd uitgevoerd. Hij schreef de eenakter in 1991 in opdracht voor het 90-jarig jubileum van Geestesbeschaving in Rijsbergen. De voorstelling, in de regie van Mieky Steenbergen, kreeg dat jaar de Cultuurprijs van de gemeente Rijsbergen. Kort daarop werd het stuk nog uitgevoerd in onder meer Amersfoort, Enschede, Den Haag en Breda.