Vis en Vlees

Zij, de kleine zeemeermin, staat aan het eind met lege handen. Haar mensenprins trouwt morgen met een ander. Zij kan zelfs niet eens meer terugkeren naar huis, naar haar wereld onder water. Dat zou alleen kunnen als Zij de prins zou doden. Zij besluit te wachten tot de zon opkomt en dan verdwijnt Zij als schuim op het water.
Tegelijkertijd zit ook Hans te wachten op zijn dood. Beroemd, bejubeld en helemaal alleen. Morgen luiden alle klokken van Denemarken.

Fragment

scène 29 (slot)
Hans aan een schrijftafel met een glas wijn, wat brood.
Zij met het mes, bij de slapende prins (en zijn bruid).

HANS
Hier zit ik.
Eten, drinken, een kachel.
Een leeg bed.
Een vol hoofd.
Iedereen kent mijn naam, mijn boeken.
En ik zit hier alleen.
In deze stad wonen honderdduizend mensen en ik ben alleen.
Het regent weer pijpenstelen.

ZIJ
Daar sta ik dan.
Het mooie meisje met de mooiste stem van de Zeven Zeeën.
Die niemand ooit nog kan horen.
Die niemand ooit nog kan vertellen hoe ik heet.
Ik héb niet eens een naam.

HANS
Hier zit ik.
De slungel met de grote neus, de grote mond, de grote voeten.
De dubbele voornaam die niet past bij zijn afkomst.
De arme sloeber die een groot dichter werd.
Die men een ijdeltuit noemde.
Een sentimentele kwast.
Een fantast.
Hier zit hij, mensen. Hier.
Zijn eigen sprookje.
Deze oude bleekgele kaars.
Uitgedoofd en opgebrand.

ZIJ
Daar sta ik dan.
Met een mes in mijn hand.
Ik moet iemand die ik liefheb doodmaken.
Midden in zijn hart steken.
Anders breekt morgen het mijne.

HANS
Morgen word ik begraven.

ZIJ
Morgen breekt mijn hart.

HANS
Morgen zit de kerk bomvol.

ZIJ
Morgen ben ik schuim op het water.

HANS
Morgen luiden alle klokken van Denemarken.

ZIJ
Ik zou hem moeten haten.
Omdat hij mij niet herkend heeft als degene die hem gered heeft.
Ik moet hem proberen te haten.
Dat steekt gemakkelijker.

HANS
Zeventig jaar en ik heb nooit ergens gewoond.
Ik heb altijd gelogeerd. In sjieke hotels, bij de betere families, aan koninklijke hoven en paleizen.

ZIJ
Ik haat hem.
Ik haat hem.

HANS
Ik zat bij hen aan tafel.
Ik at hetzelfde brood. Ik dronk dezelfde wijn.
Ik las hen voor en zij gaven mij complimenten.
Feestelijke toespraken.

ZIJ
Ik haat hem.
Ik haat hem.
Ik hou van hem.

HANS
Dure woorden vol dank.

ZIJ
Als híj sterft, kan ìk terug naar de zee.

HANS
Logeren is iets anders dan wonen.

ZIJ
Maar het zal nooit meer thuis zijn.

HANS
Ik ging altijd weg, maar nooit naar huis.
Ik kwam overal en was nergens thuis.

ZIJ
Als ik niets doe, komt de zon vanzelf op.
Dan ben ik schuim op het water.
Niemand die het ziet.

HANS
Er is nooit iemand geweest om voor thuis te komen.
Die bij mij hoort. Waar ik bij hoor.

ZIJ
Ik heb geen keuze.
Als ik ècht van hem hou.
Heb ik geen keuze.

HANS
Ik heb veel gezien.
Ik heb veel verteld.
Ik weet helemaal niets.

ZIJ
Leef lang en gelukkig, liefste.
Laat de zon maar komen.

Donker.

Vis en Vlees, door Peter Dictus in 1998 geschreven in opdracht van Theater Reflex uit Roosendaal, is gebaseerd op het sprookje De kleine zeemeermin met toegepaste elementen en gegevens uit het leven en werk van Hans Christian Andersen.

De gehanteerde versie van De kleine zeemeermin komt uit: Hans Christian Andersen, Sprookjes en vertellingen, volledige uitgave, vertaling Dr. W. van Eeden, redactie Alet Schouten, geïllustreerd door Lidia Postma (Van Holkema & Warendorf/Unieboek, Bussum, 1975; 9e druk, speciale uitgave).

Voor documentatie is gebruik gemaakt van:
H. Hudig-Kapteijn: Hans Chrisitian Andersen, de groote onbekende (Keurboekerij, Amsterdam, 1947)
Helene W. van Woelderen: Wie anders dan Andersen (Van Hoeve, Baarn, 1975)

In januari 2006 wordt Vis en Vlees uitgevoerd door Tejater Spot uit Kaatsheuvel in de regie van Ad Evers. www.tejater-spot.nl