De Arlésienne

De Provence, rond 1870. Fréderi, een boerenzoon, is dodelijk verliefd op een meisje uit Arles. Onder druk van zijn familie, de mensen uit de streek, moet hij die liefde opgeven. Die meid uit de stad deugt niet. Fréderi doet zijn best en voor de buitenwacht lijkt het te lukken: de Arlésienne is uit zijn hoofd en uit zijn hart. Maar Moeder Rose weet beter. Ze kent haar zoon en ze maakt zich grote zorgen om hem. Alleen Vivette, een meisje uit de buurt, kan Fréderi nog redden. De oude herder Balthazar, die al op de boerderij werkt sinds de tijd dat Rose nog een meisje was, vertelt het verhaal van de onmogelijke liefde. Waarin ook hij een rol speelt.

Fragment


BALTHAZAR
Ze zeggen dat alle meisjes uit Arles mooi zijn.
Mooier dan hier.
Mooier dan bij ons.
Dat dat altijd zo geweest is.
En altijd zal blijven.
Meisjes uit Arles zijn de mooiste ter wereld.
Dichters – weten dat.
Schilders.

Hoe mooi moet een vrouw zijn.
Hoe mooi.
Hoe diep haar blik.
Hoe vol haar lach.
Hoe zacht haar huid.
De huid onder haar rok.
Hoe warm haar boezem.
De boezem onder haar blouse.
Hoe sterk haar schoot.
Hoe licht haar loop.
Hoe zwaar haar geur.
Hoe, om een man zo gek te krijgen.
Om zijn aderen te laten tintelen.
Een stoot door zijn kokende bloed.
Hoe mooi.
Dat hij zichzelf vergeet.
Verliest.
Tegen beter weten in.
Eén ontmoeting.
Eén enkele oogopslag.
Eén enkel gebaar.
Het kan genoeg zijn.
Meer dan genoeg.
Elke man weet dat.
Als hij dat geluk heeft.
En dan is er geen ontkomen aan.
Voorgoed verloren.

(..)

Moeder Rose maakte het haar van Vivette los, schoof haar bloes rond de hals opzij en duwde met haar oude vinger de kin van het meisje omhoog.
‘Als de zon ondergaat, als jullie terugkomen van het land, loop dan met hem op.
Zeg dat je de weg niet zo goed meer ziet.
Dat je bang bent.
Druk je tegen hem aan.
Je borst tegen zijn arm.
Je heup tegen zijn been.’
En de arme Vivette kreeg hoop.

(..)

Het was heet die dag.
De zon was rood en drukte zwaar op het land.
En het was stil. Er was geen wind. Er waren geen vogels.
Binnen, in de boerderij, was het koel. Bijna kil.
We zouden in de grote keuken gaan zitten.
In de zomer zaten we daar nooit.
In de zomer zaten we buiten, op het hof.
Ik kan het vertrek dromen.
De kale, gepleisterde muren.
De zwart-witte tegelvloer.
De houten kast met het servies.
De grote tafel in het midden.
De hoge stoelen er omheen.
De kroonluchter er boven.
Het kruisbeeld bij de deur.
En de geur van oud haarvuur.

Toen, honderd jaar geleden, toen zaten we ook hier.
Rose en ik.
Ieder aan het eind van de tafel.
Toen moest er ook gesproken worden.
Het hoge woord.
Dit vertrek.
Ik kan het dromen.
Elke nacht opnieuw.

Een bewerking van L’Arlésienne van Alphonse Daudet. Dit toneelstuk, naar een kort verhaal van Daudet zelf, gebaseerd op een waar gebeurd incident, ging in 1873 in première in Frankrijk. Voor zover bekend is het sindsdien in Nederland slechts twee keer opgevoerd, met de destijds speciaal gecomponeerde muziek van Georges Bizet.

L’Arlésienne verwijst niet alleen naar een door Van Gogh geschilderde vrouw uit Arles, maar heeft door de thematiek, de tijd en plaats van handeling – rond 1870 in de Provence – veel met de beroemde schilder gemeen. Het stuk vertelt over Fréderi, een boerenzoon die, tegen beter weten in, verliefd is op een meisje uit de stad. Zijn familie ziet een huwelijk echter niet zitten; het meisje uit Arles zou niet deugen. Toch volhardt de jongen en dat wordt hem fataal. Machteloos ziet zijn omgeving toe hoe hij aan een feitelijke zelfvernietiging ten onder gaat.

Het stuk toont het tijdloze thema van de ultieme liefde. En de onbeholpenheid van de mens in dit opzicht, omdat de ultieme liefde niet bestaat (zoals ook het ultieme kunstwerk niet bestaat), tenzij die liefde levend wordt gehouden door de dood. Fréderi lijkt dat te beseffen: hij sterft liever met een ideaal voor ogen dan te moeten leven met een compromis.

Het toneelstuk van Daudet is door Peter Dictus omgewerkt naar een intieme vertelling, op maat geschreven voor een uitvoering in de tuin van het voormalige St. Annaklooster in Zundert. Enerzijds zijn daarbij verschillende nevenverhalen weggelaten, anderzijds is er juist een inhoudelijk belangrijke toevoeging gemaakt. Daardoor is het eigenlijke verhaal versterkt, met behoud van de bijzondere sfeer die voortdurend door Daudets oorspronkelijke tekst voelbaar is.

Bijzonder in deze bewerking is ook de vorm waarin de nieuwe tekst is gegoten: De Arlésienne is geschreven als een hoorspel, vanuit het perspectief van één personage, de oude herder Balthazar, bij Het Zunderts Toneel gespeeld door Guus Dam. Via hem wordt het publiek deelgenoot van de noodlottige liefdesgeschiedenis van Fréderi.

De Arlésienne van Het Zunderts Toneel is mede mogelijk gemaakt door het Fonds voor Amateurkunst en Podiumkunsten, het Prins Bernhard Cultuurfonds Noord-Brabant en LiBra (Literair Fonds voor Brabant). Geschreven in opdracht van Het Zunderts Toneel, ter gelegenheid van het 150e geboortejaar van Vincent van Gogh. Regie: Ad Evers. Première: 27 juni 2003. Speelperiode: 27-28-29 juni, 6 juli, 10-11-12-13 juli 2003. Reprise: 9-10-11 juli, 16-17-18 juli 2004.