Kinderen van Aert

Drie vrijgezelle broers wachten in de gang van een ziekenhuis op nieuws over hun zuster die onverwacht is opgenomen. De gedachte aan haar mogelijke afscheid bedreigt hun overzichtelijke bestaan.

Fragment
Piet en de verpleegster af. Kees en Jan kijken hen lang na en beginnen dan aan de koffie.

JAN
Er zit geen suiker in.

KEES
Bij mij ook niet.

Kees proeft het kopje van Piet en schudt het hoofd.

KEES
En wie doet er nou straks de boodschappen?

JAN
Ik weet het niet.

KEES
Wij hebben er geen tijd voor.

JAN
Ik weet het niet.

KEES
Wij staan op de akker. In de stal.
We hebben het ook nooit hoeven doen natuurlijk.

JAN
Nee.

KEES
Zij deed dat soort dingen.

JAN
Ja.

KEES
Boodschappen. De was. Poetsen. Eten koken. Al het werk binnen. Alles.

JAN
Ja.

KEES
En al het schrijfwerk. Papieren tekenen, de bank, de gemeente, de veiling en alles.

JAN
Ja.

KEES
Ik zie het ons nog niet doen allemaal.

JAN
Het is nog niet zover. 't Is een Van Aert.

KEES
Jaja.

JAN
Maar 't is niet te hopen anders.

KEES
Wat niet.

JAN
Nou.

KEES
O nee, da's zeker niet.

JAN
Het is goed dat ze het niet meer mee hoeven te maken. Dit.

KEES
Wie niet.

JAN
Vader en moeder niet.

KEES
Weet je nog, toen met d'n Zwarte?

JAN
Ja.

KEES
Die hebben ze toen af moeten maken.

JAN
Ja.

KEES
Zo'n bal zat er in zijn maag.

JAN
Ja, maar een hond is niet hetzelfde.

KEES
Een vuist groot!

JAN
Ja, maar een hond is niet hetzelfde.

KEES
Het was een goed beest.

JAN
Nou.

KEES
Weet je nog, dat-ie altijd zo tekeer ging als de bakker het erf op kwam? Met zijn rug tegen de muur, de bakker, zijn armen omhoog zo. Het brood overal in het zand.

JAN
Zo wit als een doek.

KEES
Ik kom hier nooit meer, ik kom hier nooit meer!

JAN
Het schuim op zijn mond.

KEES
Zolang dat beest hier is, zet ik geen voet meer bij jullie op het erf!

JAN
En de Zwarte maar bassen.

KEES
Bekijk het maar met je brood. Ik kom hier nooit meer, ik kom hier nooit meer!

JAN
Hij is ook nooit meer geweest.

KEES
Hij moet veel afgezien hebben.

JAN
De bakker?

KEES
De Zwarte. 't Is goed dat ze hem afgemaakt hebben. Zo'n bal, zeg, een vuist groot.

JAN
Ja, maar een hond is niet hetzelfde.

KEES
In het dressoir in de voorkamer, denk ik dat ze liggen.

JAN
Wat.

KEES
De papieren. Toen met ons moeders begrafenis --

JAN
Zo ver is het nog niet, Kees.

KEES
Nee, dat niet maar --

JAN
Nou dan.

KEES
Soms moet je toch een beetje vooruit willen --

JAN
Dré Herijgers heeft nog gebeld.

KEES
En?

JAN
Hij is pas aan het eind van de week gemaakt.

KEES
Maar dan kunnen we morgen niet --

JAN
Onze Piet moet er maar ene bij Martens gaan lenen.

KEES
En die palen?

JAN
Overmorgen.

KEES
Hoe is 't eigenlijk met Dré?

JAN
Stilletjes aan nog.

KEES
Moet je zien. En van de winter hadden ze hem nog opgegeven.

JAN
Daarom. Wie weet valt het alles mee.

KEES
Jan, bidt jij wel eens?
Ik ook niet meer eigenlijk.

Piet komt op. Neemt zijn koffie.

JAN
Hij zal wel koud zijn.

PIET
D'r zit geen suiker in.

KEES
Dré Herijgers heeft nog gebeld.

PIET
En?

KEES
Hij is pas aan het eind van de week gemaakt.

PIET
Maar we zouden morgen toch --

KEES
Jij moet er maar ene bij Martens gaan lenen.

PIET
En die palen dan?

KEES
Overmorgen.

PIET
Weten jullie nog, toen met d'n Zwarte?

KEES
Ja, maar een hond is niet hetzelfde.

Kinderen Van Aert (1993) is geschreven voor een studiedag over dialecttoneel van het Centrum voor Amateurkunst in Tilburg. Sindsdien is het met vele uitvoeringen in heel Nederland de meest gespeelde eenakter van Peter Dictus. De tekst is intussen meermalen onderscheiden.

Kinderen van Aert is opgenomen in Open Doekske, een boekje open over Brabants dialecttoneel, Het Noordbrabants Genootschap, 's-Hertogenbosch, 1993 (ISBN 90-70814-65-X) en in 100 eenakters, Comité Amateurtheater Vlaanderen-Nederland, Alkmaar (ISBN 90-9014433-1).