VINK

Voorschot

Je loopt van me weg.
Ja, nee. Je sjokt van me weg.
Je wiebelt van me weg.
Je waggelt van me weg.
Als een ouwe, dikke eend.
Met een holle rug die ik maar al te goed ken.
Een holle rug en een wiebelkont.

Daar ga je. De hal uit, de gang in. Verderop weer een paar gangen in. Links, rechts. Net zolang tot je de weg kwijt zult raken en verloren loopt: Zuster, kunt u mij misschien –
Vlak voordat je uit mijn beeld verdwijnt, stopt het waggelen en draait de dikke eend zich traag om.
Je ogen vragen of ik toch niet liever even met je mee –
Maar die van mij hebben al lang geantwoord.
Ga nou maar.
Ik wacht hier wel.

Of: bekijk het maar.
Zoek het maar uit.
Zoek het maar uit in die betermaakfabriek hier.
In die garage voor de menselijke mankementen.
Jij bent hier thuis, ik niet.
Jij komt hier om de haverklap.
Met je staar.
Met je prostaat.
Je spataders.
Met je vocht achter de longen.
Met je rammelende hartklep.
Hoe vaak ben je hier nou al niet geweest?
Dan ken je toch onderhand de weg wel.

En dan waggel je verder.
Het beeld uit.
Mijn beeld uit.

Ik zie hoe je bij het loket aankomt.
Met veel te veel papieren in je hand.
Alles moet telkens mee.
Elk formulier, elke kaart, elke envelop.
Je moest eens iets vergeten.
Ik zie hoe je staat te schutteren bij het loket.
Met al je papieren.
Welke willen ze dit keer hebben?
En je legt ze gewoon allemaal op de balie.
Zuster, hier – alsjeblieft.
Je schouders hangen meer dan ooit.
In je jas die iedere keer maar ruimer wordt.
Een half leeggelopen ballonnetje.
Blijven liggen achter de planten op de vensterbank.
Vergeten op te ruimen na het feest.

Waarom zouden ze jou nog helpen?
Waarom zou ik je nog helpen?

Het is mooi geweest, vind je zelf ook niet?
Het is mooi geweest.
Het is goed zo.
Klaar.

Dus stop er nou maar mee.
Met dat leven.
Met dat alsmaar doorleven.
Stop daar toch eens mee, man.

Ga toch dood.
Ga toch rusten.
Zacht.
In vrede.

Of ben ik nou wreed?

Nee, het leven is wreed.
Hulde aan onze welstandsmaatschappij, hulde.
Aan iedereen die het mogelijk maakt om ouder te worden dan je zelf zou willen.
Dan je ooit zou durven.
Oh, maar hij is nog fit, hoor.
Voor zijn leeftijd.
Mensen van ver in de tachtig zijn niet fit, ook niet voor hun leeftijd.
Die zijn moe, die zijn op.
Die willen niet meer.
Die zijn het zat.

Die zijn bang.
Doodsbang.
Doodsbang voor het leven.
Dat is toch ook ‘ondraaglijk lijden’?
Waarom moet zo’n man dan verder?
Van wie?

Zo meteen kom je terug gewaggeld.
Met weer een ander papiertje.
Met weer een andere verwijskaart.
Met weer een ander recept.
Met vragende ogen.
Vochtig vragende ogen.

We waggelen samen naar buiten.
Ik hou de deur voor je open.
Je werkt je de auto in.
Je holle rug kijkt me verwijtend aan.
Doe toch eens een beetje aardig tegen me, zegt je rug.
Dat kan ik niet.
Straks ben jij net zo oud als ik nu.
Wie weet.
Wil je dat je zoon dan net zo doet tegen jou als jij nu tegen mij?
Nee. Maar voorkom ik dat door aardig te zijn tegen jou?
Nee. Maar je zou kunnen proberen het op te brengen, aardig zijn.
Heb jij me dat geleerd, Pa? Heb jij me dat voorgedaan?

En dan ben je eindelijk ingestapt.
Valt er niets meer te zeggen.

Voor Drieons bedacht Peter Dictus in 2010 de serie hoorstellingen VINK, waarvoor hij zelf ook enkele verhalen schreef, waaronder De mooiste van de wereld en Voorschot (2012), gelezen door Bert Luppes.