Rook/Blik

Een echtpaar in de kruidenierswinkel van een grensdorp. De drukke doorgaande weg is de levensader van het dorp. De inwoners leven van de weg en de voorbijgaande vreemdelingen. Als het vrachtverkeer verdwijnt naar de nieuwe snelweg en de grenspost wordt gesloten, lijkt de ziel van het dorp te sterven. De etalages worden ramen met glasgordijnen, het dorp doet de ogen dicht. Ook als er nieuwe vreemdelingen verschijnen.

De vorm van ROOK/BLIK is boeiend. De beelden onderstrepen niet alleen de leegte van het dorp en de leegte van het leven van de hoofdpersoon, maar bepalen nadrukkelijk de troosteloze sfeer. Die film draagt de voorstelling. (Brabants Dagblad, 20 mei 2010)

Fragment

HIJ
Hier beginnen wij.
Midden in het dorp.
Recht tegenover de kerk.
Op zondagmorgen staan de mensen te buurten op het kerkplein. In het midden staat Merijn de Beer.
Merijn zegt: Kees, jij kunt een winkel beginnen. Maar wij kopen bij de koster. Die heeft ook een winkel en jij komt niet van hier.
Het scheelt twee kilometer, dus ik kom niet van hier.

Als ik bij de boeren langsga, hoor ik hetzelfde.
Er is al een winkel en jij komt niet van hier.
En volgende week hoef je niet langs te komen om dat nog eens te vragen.

Het duurt niet lang en dan komt Meneer Pastoor langs.
Hij zegt: Kees, jij moet in het kerkbestuur komen. Jij bent een goeie parochiaan en je hebt een winkel. Recht tegenover de kerk.
Ik zeg: En de koster dan?
Meneer Pastoor zwaait met zn hand.
De koster is oud en jij woont tegenover de kerk. Wij kunnen best twee kruideniers hebben.
Ik zeg tegen ons Jeanne: Nou zal het wel gaan lopen.
Het duurt niet lang of ik breng bij alle boeren de boodschappen en overdag komen de vrouwen bij ons Jeanne in de winkel.

Op de stoep zet ik een wit bord met rode letters:
laatste winkel voor de grens.
Alles komt voorbij.
Drieduizend per dag.
Van de grens, naar de grens.
Inklaren, uitklaren. Allemaal op het kantoor.
En hier is dan de laatste winkel.
Aan de overkant kunnen ze tanken.
Bij Jo Jorissen en bij Geert Sprenkels.
Dus dat gaat allemaal in n moeite door.
Daar zeg ik niks van.
 
ZIJ
Ik spaar blikken.
En lepeltjes. Ik heb er wel meer dan honderd. Van Lourdes, van Scherpenheuvel, van Kevelaer,  van Parijs, van Amsterdam, van het Atomium, van de Piramide van Austerlitz, van het Drielandenpunt, van Valkenburg, van de Grote Kerk van Breda. Als ons kinderen op vakantie gaan, brengen ze voor mij altijd een lepeltje mee. Ik heb er wel meer dan honderd.
En ik spaar blikken.
En lepeltjes.

Ik heb nog hele oude blikken, van vroeger. Waar de koffie in zat, of thee. Van Nelle, Douwe Egberts. Van die hele grote, vierkante. Of waar de koeken in zaten. Gevulde heren, spritsen, lange vingers. Suiker, pepermuntjes, drop, Belze brokken. Blikken waar bekende mensen op staan. Koning Boudewijn, Koningin Fabiola, Koningin Juliana, Prins Bernhard. Ik heb ook een blik met Maxima. Die is nog niet zo oud, dat blik.

Jij toch met je blikken, zegt onze Pa dan. Waar moet je er mee blijven als straks de winkel weg is, als we straks gaan verhuizen?
Hij heeft ze bijna allemaal weggedaan toen wij hier kwamen wonen. Vooral de mooiste, de oudste, die nog veel waard zijn. Verkocht aan een verzamelaar, of een kruideniersmuseum, wat was het.
Nou heb ik er nog maar een paar.
Ze staan in het bijkeukentje, op een schap.
Naast de waspoeder.

De lepeltjes heb ik nog wel allemaal.
Die nemen ook geen plek in natuurlijk.
Ze liggen in de schuif onder de televisie.
Soms haal ik ze eruit om ze te poetsen.

In 2010 schreef en produceerde Peter Dictus voor zijn gezelschap Drieons Rook/Blik, een portret gebaseerd op het levensverhaal van zijn ouders. De tekst was een uitwerking van het eerder uitgebrachte Rook. De voorstelling tourde in het najaar van 2011 langs diverse dorpen in de grensstreek.