De Jongensjaren

Het jongensjaar kwam eraan
Vol bibber en beven
Voor het bloednieuwe leven
In mijn bange bestaan
Op de bank in de wagen
Staarde ik naar die rug
Die mij niet meer kon verdragen
Nam hij mij ooit nog terug
Op de stoep bij de poort
Van het grote gebouw
Wreef hij met zijn mouw
En keer langs mijn oor
Hij ging weg zonder een woord
Geen groet, geen: ga maar gauw

Het jongensjaar begon
Vol tikken en tegels
Het slikken van regels
Van wat moest en niet kon
In de kille lokalen
Galmt het grootste gelijk
Kletteren kromme verhalen
Recht uit Gods Koninkrijk
En in de nachten van steen
Op de slapende zaal
Waren wij allemaal
Stuk voor stuk stik alleen
Hoe die God dan verdween
In het stille kabaal

Het jongensjaar gleed voorbij
Traag en treuzelend
Vals veilig neuzelend
Een benauwende brij
Mijn lijf werd al ouder
En het snakte naar licht
Een hand op mijn schouder
Of een lachend gezicht
Op een morgen in maart
Terwijl het mei had moeten zijn
Was er die vreemd nieuwe pijn
Door niemand verklaard
Ik had er zelf om gevraagd
En dus lag het aan mij

Het jongensjaar was fini
Het kind verloren
Geknipt en geschoren
En ik spartelde niet
Ik voel nog zijn hand
Ik hoor zijn zucht
Ik ruik zijn mond
Ik ruik die lucht

Ik wou dat ik toen vloekte
Op het hoogste gezag
Op die purperen macht

De jongensjaren zijn gedaan
Kijk ons hier nu staan

Na de Brabantse Bietels moet ook Jacques Brel eraan geloven: zijn werk wordt in het Brabants vertaald, graag of niet. Mijn bijdrage is een hertaling van het lied Mon Enfance. De cd in kwestie, getiteld Sjaak, is in maart 2012 uitgekomen, te bestellen via Erfgoed Brabant.

Het album werd live uitgevoerd in Etten-Leur, Goirle en Den Bosch (met excuses voor het bibberbegin).